Selecteer een pagina

Rainbows & Confetti

Over alles en niks. Omdat het kan.

Ge hebt zelf FOMO

Ge hebt zelf FOMO

Ik heb geen FOMO (wat een ellendig woord zeg).

Nodig me uit voor een feestje, super dankjewel, maar als ik geen zin heb, heb ik geen zin.
“Maar ge gaat echt iets missen.” “Bwa, dat zal wel meevallen.”

De laatste mode, het nieuwste keukensnufje. Ge moogt het hebben.
Ik ben al lang niet de hipste, nieuwste, coolste, … en dat is best ok.

Maar wat blijkt, op trage decemberdagen?

 

Ik heb keihard FOMO (nog steeds een belachelijk woord, maar kom).

 

Alle boeken die ik dit jaar niet las, de vele podcasts die ik niet luisterde.
De massa ongelezen ‘zalige nieuwsbrieven’ in mijn inbox.
De (momenteel) 47 tabbladen in Chrome op mijn gsm en 29 op mijn computer.
Handgeschreven briefjes ‘to do’ en lijstjes ‘leuke dingen’ in Evernote.  

Ik dacht dat ik dat allemaal ergens had, want “zo interessant, zeg” en “wauw, daar moet ik me zeker eens in verdiepen” en “keihandig voor wanneer het cadeautjestijd is, dat moet ik bijhouden”. En da’s allemaal waar.

Maar jongens, blijkt dat die dingen ook gewoon allemaal op mijn mentale ‘to do’ list geslopen zijn. En dat lijkt me nu net niet de bedoeling.

Ik zeg en voel al maanden ‘dat het wat veel’ is. Veel werk, veel kinderen, veel shizzle, veel vermoeidheid, … (No shit, Sherlock. Wat. Een. Jaar.)
Maar al die onbenutte mogelijkheden maken dus mee dat ‘veel’. 

Enkele weken geleden hoorde ik Anouck in Werk & Leven vertellen dat ze het einde van het jaar ging gebruiken om af te ronden, dingen af te werken.

Mind. Blown.

Dat dat een optie was! Projecten afronden, afwerken, tabbladen sluiten en meedeinen op het ritme van de donkerste maand van het jaar. 

Dus dat is nu nog de enige ‘to do’. 

En wie weet sluit ik straks wel gewoon al die tabbladen, gooi ik meteen 1000 ongelezen mails weg. Daag.

 

(omg, ik word er nu al nerveus van)

De vloek en de zegen

De vloek en de zegen

Bijna een maand, mannekes, dat wij hier zo zitten. Een maand waar enorm veel over te zeggen valt, maar mijn hoofd maakt geen gedachte af. 

“It was the best of times, it was the worst of times,…”

Het is een vloek en tegelijk een zegen.

 

Het is panikeren en denken ‘hoe ga ik dat hier allemaal doen’. Dan merken dat dat inderdaad niet gaat en stoppen met dat te proberen.

Het is boos zijn op omstandigheden, politiekers, u opjagen in wat er gebeurt, niet kunnen geloven dat dit niet beter kan.

Het is bijna elke dag wel een keer denken ‘help mij, ik ben hier aan’t verdrinken’, maar dan ademen en merken dat ge toch weer meer kunt dan ge dacht.

Het is zoeken naar tijd en ruimte voor uzelf, om te recupereren en weer op te laden.

Het is missen van de mensen die ge het graagst ziet en dat ook zien en voelen bij uw peuter, die er de woorden nog niet voor heeft.

 

Maar het is ook tijd met ons, hier op onze leukste plek.

Tijd voor de tuin, tijd om te kijken.

Hoe de kleinste de grootste continu in de gaten heeft en leert. Hoe hij groeit en lacht, mannekes, zo’n vrolijk kind.

Hoe de grootste de wereld ontdekt, onze tuin herontdekt, kastelen bouwt en stokken verzamelt. 

Hoe zijn spel verandert, zijn taal groeit.

Hoe Samme en Gus nu die tijd ook samen krijgen.

Hoe we die allemaal krijgen.

En wij dus eigenlijk the lucky ones zijn. 

2 weken, alles anders

2 weken, alles anders

Hoe hard kan de wereld veranderen op twee weken tijd.

Maandag 9 maart was de laatste dag van mijn zwangerschaps/ouderschapsverlof. Ik maakte me klaar voor 2 helse maanden van werken gaan, overdag kolven en ’s avonds voor uitgetelde kindjes zorgen voordat ik zelf uitgeteld terug in bed kroop voor een onderbroken nacht. (Met het idee, als die kleinste 6 maanden is, dan is er al heel wat anders.)

Ik had niet echt mega veel zin in terug gaan werken.

Gus leek nog zo klein, hij moest duidelijk nog wennen op de crèche. Bovendien is er niks leuks aan 3 kolfsessies op een dag, gerusht tussen het werk door, waardoor je ook je middagpauze alleen in een bureautje zit. Ik maakte me toch al weer zorgen over het feit dat hij zo veel at overdag en ik zoveel niet kon kolven. En dat poedermelk er al zo snel zat aan te komen. 

Ot kon sinds een week heel duidelijk zeggen ‘hier blijven spelen’. En wij dan tegen hem ‘maar mama en papa moeten gaan centjes verdienen en dus kan je niet hier blijven spelen, maar we gaan wel spelen op de crèche’. Ik hoorde ons tegen hem zeggen dat we dat zelf ook maar een stom systeem vonden en dacht: Waarom doen we dit eigenlijk? Een hele dag weg zijn van onze kinderen? Om dan ’s avonds gezellig, uitgeput van de dag al dan niet de strijd met elkaar aan te gaan over eten, slapen, wassen, tablet, boekjes, …

En ik ging terug naar een werkplek waarvan ik niet goed wist wat te verwachten.

Eind november kondigde onze minister besparingen aan in de sector. Een sector die – sinds ik er werk (bijna 8 jaar), maar zeker al langer – niet anders doet dan fusioneren, reorganiseren, samenwerken, rationaliseren, stroomlijnen, besparen. Deze keer had de minister heel duidelijk gesteld dat er op hulpverlening niet bespaard zou (mocht) worden, maar dat er aan die overhead toch iets moest gebeuren. Een overhead waar ik toe behoor. 

Een uitspraak van de minister die gewoonweg bullshit was. De grootteorde van de besparingen én de aanpassingen in de manier van subsidiëren konden niet anders dan wegen op de hulpverlening. Contracten werden niet verlengd, in andere werd gesnoeid. En er werd intern (ietwat scheef?) gekeken naar ons, de overhead. Want wij zaten daar toch nog. 

Het maakte dat ik de afgelopen maanden meermaals dacht: Ik ga niet meer, ik geef mijn ontslag. Weer wat overhead minder, ze zullen mij niet missen. Ons CAW blijft verder draaien, hulpverleners blijven hulp verlenen, ook als ik er niet meer ben.

Het maakte ook dat ik ietwat aarzelend terug begon, vorige week dinsdag. Wat zou er op mijn tafel klaar liggen? Waar ging ik mijn tanden in zetten? Wat zou opleveren voor onze organisatie?

En toen kwam Corona. 

 

Man!

 

Er kwamen maatregelen en richtlijnen en alle bijhorende communicatie (elke dag weer anders), afgestemd met andere CAW’s en met de overheid.

Onze organisatie leerde telewerken, met alle mogelijke technische, deontologische en inhoudelijke moeilijkheden en vragen die daar bij horen. 

Onze tijdsregistratie werd aangepast, afspraken rond sociaal verlof bijgesteld. 

Vrijwilligers werden mee op de hoogte gebracht, betrokken en verzorgd.

Er werd intern georganiseerd om telefonische en online hulpverlening zoveel mogelijk waar te maken, om roosters af te stemmen, backups te voorzien. 

Er kwam een oproeplijst, zodat de komende weken op alle nodige plekken hulpverlening gegarandeerd kan worden. (Want vergis u niet, er zijn een heleboel mensen die geen eigen ‘kot’ hebben om in te blijven.) 

Binnen al die zorg- en hulpverleningsnetwerken werd afgestemd, geluisterd, bekeken wat er nog kan en wat niet (ook daar, elke dag weer anders).

Er werd opgeroepen naar mondmaskers, wasgel, gezocht naar zoveel mogelijk alternatieven.

Voor de Leuvense gevangenen werd gewerkt aan een gratis nummer waarop zij hun hulpverleners kunnen bereiken, zodat ze hun andere belgeld kunnen blijven gebruiken om in contact te blijven met de mensen die ze graag zien.

Er werd verhuisd en gekuist. 

 

En dat allemaal door die overhead he. Zodat onze hulpverleners zoveel mogelijk dat kunnen doen. Hulp verlenen. 

Ik heb deze week geen seconde getwijfeld aan mijn job. Dat wij mee zorgen voor die hulpverlening en vooral mee zorgen voor onze collega’s. 

 

Bij deze alvast een oproep aan Wouter en Maggie. Om ook na deze crisis te zorgen voor mijn collega’s, zij die nu mee in de frontlinie staan. Die na dit alles heel wat hebben meegemaakt en een weerslag zullen krijgen. Maar ook dan weer met een te hoge werkdruk en te weinig middelen gaan zorgen voor al die andere mensen die ook een weerbots gaan krijgen. Die dan nog steeds geen kot hebben. Die hervallen zijn in angsten, isolatie, eenzaamheid. Die slachtoffer of getuige zijn geweest van geweld thuis. Die een dierbare verloren hebben, moederziel alleen in het ziekenhuis.  

 

Meer kinderen, meer liefde

Meer kinderen, meer liefde

“Ot gaat dat wel weer moeilijk vinden, als de ochtenden anders lopen wanneer ik weer ga werken.” 

Een zin die ik vorige week tegen Samme opperde. Want hij heeft het inderdaad niet altijd even makkelijk met verandering, die oudste van ons. 

Maar dan is het vrijdag en loop ik zo ongedurig rond dat ik er bijna zot van word. Vollebak willen iets doen waar ik deugd van ga hebben, maar niet weten waar ik zin in heb. Gaan we wandelen? Zal ik koken? Begin ik aan de monsteropruim van kinder- en zwangerschapskleren? Lees ik een boek?

Insert een halve dag van pingpongen in mijn hoofd, zachtjes door het huis stuiteren en ditjes en datjes proberen doen. Tot ik in de zetel zit met een sudoku en het besef komt.

Ik vind het moeilijk dat alles weer anders gaat lopen als ik weer ga werken. 

Want hij heeft het natuurlijk niet van vreemden, die oudste van ons.

En met het besef komen tranen. Van ontlading na 3 maanden volcontinu zorgen, van spijt dat die intense periode al weer gedaan is, van contentement want hoeveel geluk heb ik wel niet met dat gezin van ons…

Hoe zeer ik dit ook wil, terug gaan werken, niet meer volcontinu zorgen voor, ben ik de afgelopen maanden ook enorm gegroeid in die moederrol. Waar ik het moederen bij Ot vaak niet wilde, vaak heel erg moeilijk vond, is er met de geboorte van Gus een extra schuif moederschap opengegaan. Een extra schuif die mij niet minder Bieke maakt, maar wel dubbel zo veel mama, en daardoor ook meer mama (een betere mama?) voor Ot.

Meer kinderen, meer liefde. Ik geloof dat het wel zoiets moet zijn.