Selecteer een pagina

En wat met de kindjes zonder smartphone?

Allemaal goed en wel, de kracht van sociale media en #hasselthelpt enzo, maar daar hadden de kinderen die vanavond in mijn auto kropen nu eens net niks aan. Met gsm operatoren die tekort schoten en een gebrek aan organisatie vanuit politie. Nergens werd gezegd dat de Kempische Steenweg afgesloten was, er stond geen politie toen het druk werd op het kruispunt van de steenweg en de grote ring om het verkeer te regelen, zodat de nooddiensten vlot over het oranje knipperende kruispunt konden.

We reden – om toch maar iets te doen – richting Kempische Steenweg binnen de grote ring en probeerden groepjes jongeren te helpen:

  • 3 kregen eventjes schuilplaats en vonden al snel hun ouders
  • 5 kregen een lift naar het station van Hasselt, waar hun ouders hen zouden oppikken
  • 2 kregen een lift naar het Leopoldplein, waar hun ouders hen zouden oppikken
  • 3 kregen een lift naar het station van Sint Truiden

Geen van hen had vlot contact met de buitenwereld, niet via gsm, laat staan op een smartphone of via de radio. Ze wisten vaak niet wat er echt aan de hand was. Voor meer dan de helft was het hun eerste keer op het festival (twee van hen durfden amper in de auto stappen bij vreemden).

Wie twitter en een smartphone ter beschikking had of ginds was met een auto, is oud genoeg om z’n plan te trekken. Degenen die langs de weg achter bleven wisten van niets en waren blij met onze lift.

Het was niet veel, maar alle beetjes helpen…

Bompa’s zijn als superman.

Dat was de laatste post die ik deed op een vorige blog, ergens drie jaar geleden.

Want hoewel 6 december een heuglijke dag is voor alle kindjes, kleinkindjes en achterkleinkindjes zag onze 6 december er drie jaar geleden wat anders uit. Na een week ziekenhuis overleed mijn bompa op vrijdag 30 november 2007. Zaterdag 1 december mocht niet, want dan verjaart een van mijn nichten en daar heeft ie zich aan gehouden.

Het was het eerste Grote Verdriet dat ik meemaakte: een verlammend soort iets dat alles tot niets maakte. Die twee weken van ‘in het ziekenhuis’ tot die bewuste 6 december zijn van de meest intense die ik ooit heb meegemaakt. Delen ervan vergeet ik nooit.

Hoe ik op dinsdag niet ging repeteren omdat het toen al wachten was op dat ene telefoontje. Hoe mijn nicht en ik (toen op kot in hetzelfde huis) een hele avond in de zetel zaten en Kulderzipken keken. Hoe we ons vervolgens op woensdag met de nichten en neven vanuit Brussel en Leuven op een vrij bizarre manier organiseerden en naar het Virga Jesseziekenhuis in Hasselt reden. Hoeveel schrik ik had dat het toen al gedaan ging zijn, terwijl we er allemaal (met z’n 40’en) bij stonden. Hoe de verpleegsters die tweepersoonskamer een hele week voor ons hielden, met koffie en boterhammen toe. Dat het laatste wat ik tegen hem zei: “Tot de volgende!” was.

Op vrijdagavond kwam dat ene telefoontje dan toch, terwijl ik samen met mijn broers en mama in Lummen aan tafel zat. Wat volgde was een wazige week waarin ik nog een UHOconcert speelde, waarin we met z’n allen zeker veel te veel dronken (wijn voor iedereen, duvel op café, cognac voor de nonkels), waarin ik amper notities maakte in de les want schrijven ging niet, waarin we besloten de mis (als er dan toch een mis moest zijn) van ons en voor hem te maken en waarin ik meneer pastoor nog minder sympathiek ging vinden dan ik eerst al deed.

Daarna kwam wat in mijn ogen de mooiste avondwake en begrafenismis ooit waren. Bovenaan de doodsbrief stond: “90, ’t is goed geweest.” Ilse (de oudste der kleinkinderen) en Hans schreven zelf teksten, Tine speelde zelf muziek, Yoeri en Mieke brachten een gedicht, Katrien en ik een tekst van Toon Tellegen. Een gebarentolk maakte alles duidelijk voor Mark en Martine en zorgde voor iets magisch. En dan kwam het meest dramatische moment ooit (het paste waarachtig zo in een film, achteraf bekeken dan toch): iedereen achter de kist en dan buiten (nog half in het portaal) wachten en kijken hoe de lijkwagen de bocht omrijdt.

De koffietafel zat barstensvol en zoals dat hoort ook met mensen die je niet kent. Lise (toen 3 maanden oud) werd erbij gehaald en ging van arm op arm. De overgangskracht van zo’n koffietafel is onbeschrijfelijk. Wij (neven en nichten) werden alvast naar het huis van bomma gestuurd, zetten de wijn en cognac terug klaar en begonnen met het lezen van de rouwkaartjes.

Een uur later bleek dat de sint ook dit jaar was geweest en was het feest, want daar zijn we goed in.

Klavertje Vier

Ooit vond ik een klavertje vier na naarstig zoeken tijdens een honkbalspel met de 12-jarigen in Spa, dat me geen *** interesseerde. Het overleefde de busrit terug naar huis en werd daar braaf op een papiertje gelegd en geplastificeerd. Het verdween in mijn pasverworven portefeuille om daar jaren te blijven zitten. Niet dat ik bijgelovig ben ofzo, maar het is een leuk hebbeding, iets uniek.

Ik wel. Jij niet.

Thuis (in sommige situaties nog steeds Lummen) lag zoiets uniek, een klavertje vier van formaat. Een stuk autosnelweg waar iedereen bij ‘Ik ben van Lummen’ steevast over antwoordde ‘Ah, met dat gevaarlijk punt’.

Nu heb ik dat zelf nooit gevaarlijk gevonden. Mits wat inzicht en iedereen (ook camions) die zich aan de regels houdt, kan er helemaal niets gebeuren op dat Klaverblad. Maar dat is mijn mening.

Nu ligt er dus iets nieuw, iets wat ik dit weekend mocht ontdekken toen ik van Lummen naar Gent reed (via Antwerpen). Na jaren ben ik de gevaarlijke factor geworden, want het kon toch niet zijn dat er van links niemand aangevlogen kwam (en ik dus niet hoefde te vertragen). Het kon toch niet zijn dat die bocht ineens zo anders lag en ik dan gewoon richting Antwerpen ergens terecht kwam met één hand aan het stuur en één hand voor mijn mond.

Als ik nog eens thuis vertoef ga ik oefenen: van Lummen naar Beringen, van Beringen naar Heusden, van Heusden naar Hasselt, van Hasselt terug naar Lummen. En zo tot ik het gewoon ben.