Selecteer een pagina

Column 4

Maandag was de laatste les van de reeks columns schrijven, een inhaalgeval. Binnen twee weken start de vervolgreeks, waarvoor driewerf hoera!

Bij deze iets wat ik zaterdagvoormiddag schreef. Het heeft geen titel en is niet aangepast aan reeds gekregen commentaren. Zo rauw als wat. Gezellig, toch?

Hier zit ik dan, samen met hem in een wit kamertje te wachten op wat een executie zou kunnen zijn. Zo zien we er toch uit.

Ik tjoepper wat heen en weer op mijn stoel, die vast hangt aan zijn buren. De vrouw naast me merkt er niets van, of doet alleszins alsof. Ik rommel in mijn tas, vind een zakdoek, maar toch ook mijn portefeuille. “Aha, genoeg geld, dan komt het goed. Of niet?” Ik kijk naar hem. Hij zit er doodstil bij, een beetje bleek ook. Eigenlijk misstaat dat nog niet in dit koele kamertje. Maar echt bemoedigend
vind ik hem niet.

Naast ons speelt een peuter met de blauw-rood-gele knikkerbaan. Het snot bengelt uit zijn neus en speelt zo een glansrijke rol in zijn knikkerspel. Zijn moeder pakt hem plots op de arm en verdwijnt achter de hoek. Lichte paniek maakt zich meester van mijn brein. “Er hoeft toch niets te veranderen? Laat alles maar zijn zoals het is. Stilstand is best ok.” Dan hoor ik de peuter wenen, roepen en brullen zoals alleen peuters dat kunnen: voor hun leven.

Ik schuifel nog wat heen en weer en friemel aan het zakje in mijn handen tot het knispert als een haardvuur. “Hmm, gezellig.” Tot de kilte van de doosjes in mijn gesimuleerde haardvuur mijn lichaam bereikt. Ze komen net uit de koelkast. Als vers fruit beschermd tegen rot en beestjes. Aan een koelkast is niets hartverwarmends, aan de paarskleurige boom op het zakje ook al niet. “Wat een ellende.”

Dan is het onze beurt. Ze neemt afscheid van de peuter met een graai over zijn bol, begroet ons met een brede glimlach en toont alvast waar ik plaats mag nemen. “Links- of rechtshandig?”, vraagt ze. “Rechts,” mijn aarzelende antwoord. Waarna ze toch twee keer vogelpik speelt op mijn rechterschouder.

Ik zou een facebookgroep oprichten…

Bijna 10 jaar geleden studeerde ik af aan het Sint-Jozefscollege in Beringen. Met mij nog een zestig- of zeventigtal (post)pubers. Bijna 10 jaar geleden gingen wij ook niet op Romereis. Dat kwam vooral door een samenloop van omstandigheden en pensioengerechtigde leerkrachten, al waren wij er zeker van dat ‘ze ons niet moesten’. We waren dan ook een ras apart. Die van ‘84 zijn altijd een ras apart.

Aangezien ik ervan overtuigd was dat een reünie niet door de school in kwestie georganiseerd zou worden, zou ik een facebookgroep oprichten. Het motto: “Omdat we 10 jaar geleden niet op Romereis gingen”. Er zou geheid snel op gereageerd worden met verwensingen aan het adres van onze toenmalige directeur en sarcastische noten over het feit dat we zelfs geen reünie kregen. Na enkele dagen zouden we bijna iedereen opgespoord hebben en op zoek naar die laatste enkelingen zou iemand weten dat die ene al gestorven was.

Probleem echter: ik kon me bij het mensen toevoegen amper herinneren of ik ze kende van het secundair of het hoger. Een mens gaat zo aan alles twijfelen. En omdat ook mijn jaarboek zich niet liet vinden, kwam er geen facebookgroep.

Al een geluk, want dat zou idioot geweest zijn. Maandagavond kreeg ik een telefoontje uit Lummen. Dat er post was van mijn vroegere school. Blijkt dat ze een reünie organiseren. Een gezellig samenzijn met een hapje en een drankje, ergens in maart. Ik kan niet gaan…

De mindfuck was compleet toen een half uur later één van die klasgenoten van toen aan mijn tafeltje stond in het STUK. We hadden elkaar zeker niet meer gezien sinds ons eerste jaar in Leuven. (Ik kon nog niet eens met de auto rijden toen!)

Gelukkig is er facebook! Hij vroeg me hoe het was in Zuid-Afrika. Dat was de eerste keer dat ik besefte dat facebooknieuwsgierigheid naar twee kanten werkt. Niet dat ik dat per se erg vind, ik werd er gewoon nog nooit mee ‘geconfronteerd’.

Maar goed dus dat die facebookgroep er nooit gekomen is, want van die meute kom je anders nooit meer af.

Column 3

Een koe als een waarheid, of iets dergelijks.

Waarom humane wetenschappers betere IT’ers zijn.

Afgelopen vrijdag kreeg ik in mijn mailbox een “Uitnodiging om deel te nemen aan Tewerkstelling en opleiding van K.U.Leuven-alumni – 1995-2010‏”. Het bleek een grootschalig onderzoek naar gevolgde opleiding en uitgevoerde functie, specifiek voor mensen die een ICT-gerelateerde functie uitoefenen. Wel hoera, daar kwam ik voor in aanmerking!

Blijkbaar komen als maar meer mensen in ICT-functies terecht, terwijl ze daar niet of amper voor studeerden. Uiteindelijke vraag van de K.U.Leuven aan die IT’ers was dan ook of we meenden dat er ICT-gerelateerde vakken in onze opleiding hadden moeten zitten. Niet dus. Ik studeerde immers uit interesse voor het vak dat ik toen koos, niet omdat ik graag techneut wilde worden. Dat ik later in ICT terecht kwam, was louter toevallig. Ik ben ondertussen ook van mening dat zogenaamde humane wetenschappers vandaag de dag betere IT’ers zijn, dan de echte. Ik geef u daarvoor graag 3 redenen:

1. Ze plaatsen inhoud en gebruiksvriendelijkheid vóór technologie.

Als een kleine jongen die met opengevallen mond naar een speelgoedtrein staart, is de echte IT’ers gefascineerd door technologie. Weet je wat de capaciteit van die schijf is? Wat zo’n kabeltje allemaal kan! Hij bouwt graag die trein uit die het meeste kan, het vernuftigst in elkaar steekt en zoveel mogelijk gadgets huisvest. De humane wetenschapper vraagt zich echter af waar we naartoe gaan met die trein, of de mensen er gemakkelijk hun weg op vinden en wat daar precies voor nodig is. Wat heb je immers aan een hyperultrasonische menudisplay als je op een korteafstandstrein zit. 

2. Ze hebben meer oog voor het geheel.

Bovendien vraagt de humane zich graag af of die ene trein wel in de rest van het plaatje past. Ziet hij er een beetje uit als de andere die we al hebben? Voegt hij waarde toe aan de rest van de vloot? En straalt hij de waarden uit die we nodig achten? Voor de techneut speelt dat vaak geen rol. Als hij maar supercool en nieuw is.

3. Ze spreken mensentaal.

Wanneer de IT’er dan nog eens begint over bites en bytes, datatransfers, error reports, mainframes en andere jargonwoorden die hij in zijn opleiding verzameld heeft is het hek helemaal van de dam. De gewonen mens kan niet meer volgen en voelt zich al snel buitengesloten. Wat een geluk dat de humane wetenschapper ook tot het ras ‘de gewone mens’ behoort en vertaling dus niet nodig is.

Wil de echte IT’er blijven meedraaien, zal hij zich moeten aanpassen. Hij zal zijn specialistische kennis moeten uitbreiden met een bredere basis aan kennis in verschillende domeinen en van de organisatie. Dat eerste is iets wat vele humanen in hun opleiding reeds meekrijgen. Misschien is dus eerder de vraag of de IT’ers die brede basis meer moeten meekrijgen in hun opleiding en niet omgekeerd.

Column 2

Bij deze (en omdat Sarah er naar vroeg) de tweede column die ik schreef voor de cursus Columns schrijven van Wisper. Commentaar op dit schrijfsel was dat ik iets neergepend had dat vrij evident leek en dat ik de boemannen in het verhaal niet sterk genoeg als boeman afdeed. Waarschijnlijk komt dat door het feit dat ik terwijl ik schrijf al denk ‘en wie ben ik om dat zo te vinden’.

I am what I share (in that situation)

Vorige week mocht ik op een trendcongres Herman Konings en Tom Palmaerts aanschouwen, terwijl ze in een wervelende talk enkele trends ten berde brachten. Deze Vlaamse trendgoeroes maakten het publiek warm met social mediasnufjes om u tegen te zeggen en een presenteerstijl die Bart Peeters overtrof. Kortom, het was leuk om naar te kijken, entertainment van de hoogste plank.

Eén uitspraak van de heer Palmaerts achtervolgt me echter nog steeds: “I am what I share.” Het was niet de eerste keer dat ik deze zinsnede mocht verteren. Hij wordt veelvuldig gebruikt door zware social mediagebruikers en –voorstanders. Ik ben daar één van. Van die laatste groep welteverstaan, niet van de groep die zichzelf gelijkstelt met zijn online identiteit.

Ik geloof namelijk graag dat ik (en u met mij) heel wat meer ben dan wat ik online doe. Afgaande op mijn eigen online activiteit ben ik immers vaak een zeur of ben ik aan het koken, strijken, poetsen, … Anderen kunnen dan weer over niets anders praten dan hun kinderen. Ik ga ervan uit dat we met z’n allen meer doen en leuk vinden dan dat.

Mensen nemen in verschillende situaties een andere rol aan: bezorgde moeder, onbehulpzame buur, hardwerkende collega, vittende echtgenoot, … Al wat online ontspruit zijn slechts nieuwe situaties die aan het bestaande spectrum worden toegevoegd. En in iedere situatie neem je weer een andere rol aan. Dollen op Facebook onder vrienden, een statige mening via LinkedIn over professionele zaken, alledaagse onrusten op een blog, roepen en tieren op Twitter, ….

Op geen enkele manier krijg een F (friend/fan/follower) het volledige beeld van iemand te zien. Enkel wat hij deelt in die rol of situatie wordt openbaar. Dit enge beeld wordt versterkt door het feit dat de boodschap op deze kanalen vaak ongenuanceerd is en de dialoog die er ontstaat nooit de realtime dialoog kan vervangen. Een boodschap heeft immers taal nodig en taal is zoveel meer dan enkel tekens. Taal is de pauze die ik laat en het gezicht of gebaar dat daar bij hoort. Online ben ik dus ook wat ik niet deel of kies niet te delen. Al heeft de F daar vaak het gissen naar.

Column 1

Ik schreef me in voor een cursus columns schrijven, gegeven door @Zezunja. Ik wilde zoiets al langer, maar had het nog nooit gedurfd. Maar nu ben ik absoluut blij dat ik het gedaan heb. Al blijkt het best moeilijk te zijn: je moet tijd maken om te schrijven, ruimte in je hoofd om vanalles op te pikken doorheen je dag en je mag best niet te veel nadenken over ‘wie ben ik dat ik deze mening zomaar kan poneren?’.

Bij deze dus de column die ik schreef voor de allereerste opdracht. Mijn bedoeling was ze te herschrijven nadat ik er commentaren op had gekregen, maar daar heb ik nog geen tijd voor gemaakt. Waarschijnlijk zal dat er ook niet meer van komen, dus hier is ie!

De smaak van de prinses

“Eigenlijk heeft ze hem al,” zei ze half – maar niet echt – verontschuldigend. Het maakte mijn antwoord volkomen overbodig. Niet dat wij – ik tel er drie – niet rotverwend waren, maar kleinkinderen zijn duidelijk een categorie apart. “Dat is het voordeel van oma zijn!”, nog zo’n stelling van haar. Eentje die ons allen de mond snoert: einde verhaal, moeder heeft gelijk.

Dat weten de kinderen ook: oma is de baas! Al krijgen ze er veel van gedaan. Neem nu Lise (net 4 jaar), een pientere kleuter die een verhaal kan verkopen zoals het haar best uitkomt. Sinds kort zit ze op ballet en gelukkiger kan je zo’n kind blijkbaar niet maken. Na vier weken testlessen was er al een eerste hoogtepunt waar ze onnoemelijk hard naar uitkeek: het balletpakje – de sloefjes had ze in maart al gekregen van oma, samen met een zilveren tutu. (“Ze is daar zo blij mee.”) “Horde genomen, op naar de volgende,” moet dat kind gedacht hebben, want midden deze week had ik mijn moeder aan de telefoon.

“Lise is de enige in de balletklas zonder een echt ballettasje. Al de anderen hebben een mooi zakje en zij heeft dat niet.” Ik zie ze al voor me, die vierjarige met grote ogen en opgeheven schouders, een pruilende onderlip. Ze kan er niets aan doen, oma! Mijn jongste broer kon dat ook goed. Van vreemden heeft ze het dus niet.

Maar goed, een tasje dus. Dat kan niet zo’n groot probleem zijn in een huis waar zelden iets wordt weggegooid. Ik weet uit het hoofd te zeggen dat in de halkast toch leuke tasjes liggen (bordeaux met een beetje roze zelfs, zeker een voltreffer). Ja, die hadden ze wel gevonden, maar die vond mevrouw – de vierjarige – niet mooi genoeg. Dus trokken ze mijn oude kamer in, op ontdekkingstocht in mijn verleden. Tussen rekken vol oude cursussen, dozen met chirorelikwieën en zakken vol oude balletsloefjes zag kleine Lise haar balletzakje staan. Uit de doos met verkleedkleren stak een punt van iets roze en schitterend zilver. Als dat een vierjarige niet aantrekt, weet ik het ook niet meer.

De vraag van mijn moeder aan de telefoon dus: of ze dat zakje mocht hebben. “Natuurlijk wel, maar ga je zoiets lelijks echt meegeven? Er bestaan zoveel mooiere zakjes. Dat knalroze plastieken ding met zilveren noppen heeft ooit gediend om me te verkleden als Kelly Osbourne, moeder. Je kan die kleine daarmee toch niet over straat laten gaan?!”

Te laat dus, want “Ze wilde dat zakje graag en eigenlijk heeft ze hem al.” Daar sta je dan met je mond vol tanden en de stiekeme missie om binnen de week een tasje te vinden dat het gedrocht doet vergeten.

Ik was hem bijna vergeten

Het was de donderdag van Pukkelpop. Ik stopte vroeger met werken, dolblij dat ik naar de Foo Fighters mocht, en haastte me richting station. Een groepje van drie, jonge, hippe gasten stond alvast op perron 1 te wachten: zonnebril op de neus, sigaret in de hand, tent op de rug.

En toen kwam hij. Een schril contrast met de vlotheid van die anderen. Zijn kousen tot aan zijn knien opgetrokken, een fluo hesje over zijn te grote flanellen hemd, zijn massieve hoofd dat zwaar heen en weer wiegde. Iemand van het nmbs-personeel bracht zijn ticket: “Ga je naar Pukkelpop?” “Jaa,” antwoordde hij gulzig, “zoals elk jaar!”

Het was vrijdagavond eer ik me hem herinnerde en lichtjes ongerust werd of hij het wel gered had. Hij leek me zo alleen.

Net zag ik hem opnieuw, aan het station in Mechelen. Ik kon wel janken van geluk.